Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groeten. Dit past beter op eene gemeente, die Paulus nog niet persoonlijk kende, dan op eene, die bijna alles aan hem te danken had. Deze lijst van namen werpt een eigenaar lig licht op H. 12:3—S. Welk een ijver bezielde destijds de geloovigen! Welk een kracht ging er uit van reizigers, ambachtslieden, kooplieden, vrouwen, slaven, vrijgelatenen! De apostel kende de meesten van deze arbeiders in het evangelie, omdat hij in het Oosten korter of langer met hen verkeerd had (Epénetus, Maria, Andronieus en Junias, Rufus en zijne moeder, Urbanus, Apelles enz.) of omdat hij hen persoonlijk tot Christus had gebracht (Aquila en Prisca), maar hij was tevens (zie ook H. 14) volkomen bekend met den arbeid van hen, die hij niet persoonlijk kende (zie misschien vs. 14, 15). Farrar herinnert aan een aanteekening van Strabo (XIV, 5), dat te Rome vele Taters woonden, en aan de mededeeling van Friedlander (,Sittengeschichte Roms I, 59), dat het daar van Aziaten wemelde. Vgl. ook SandayHeadlam XVIII, XXVI, XXVII, XCIV. De grieksche oorsprong van de meeste namen is geen bezwaar. Vijf of zes latijnsche namen te Efeze zijn misschien grooter bezwaar dan vijftien of zestien grieksche namen te llome, waar veel Grieksch werd gesproken. Was het evangelie niet uit Syrië, Azië, Griekenland naar Italië gekomen? Lightfoot heeft aangetoond (Philippians, p. 20), dat de namen van Amplias, Urbanus, Stachys, Apelles, Nereus, Hennes en Hermas in de inscripties der katakomben aangetroffen worden; zoo ook die van Tryfena en Tryfosa, Patrobas, Filologus en Julia (de twee laatsten vereenigd). Reuss eu Farrar vragen, hoe de aanwezigheid van zoovele vrienden te Rome is te rijmen met 2 Tim. 4: 16; zij achten het vreemd, dat Paulus in de uit Rome geschreven brieven aan de Kolossensen en aan de Filippensen van geen hunner de groete doet. Hiertegen valt op te merken, dat deze broeders misschien te Kolosse en te Filippi onbekend waren; en dat, wat het eerste bezwaar betreft, de vervolging van Nero moet medegerekend worden. Men hechte niet te veel waarde aan dit argumentum e silentio. Vgl. ook Hand. 28: 15.

Sluiten