is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij aan de twisten, die in andere gemeenten zijn en zicli ook te Rome kunnen openbaren. Blijkbaar bedoelt hij de joodsche dwaalleeraars, die van Jeruzalem uit de gemeente te Antiochië beroerd hadden en van hier Paulus op den voet waren gevolgd, in Galatië, ja zelfs te Korinthe. De apostel voorziet, dat zij ook te Rome zullen optreden. En blijkens den brief aan de Filippenzen was zijn vermoeden gegrond.

Het art. vóór J/£08t*s7«« en txxvdxkix bewijst, dat Paulus een aan de lezers bekende katagorie bedoelt, niet dwaalleeraars in het algemeen. Men behoeft hieruit nog niet af te leiden, dat de dwaalleer in de gemeente, waaraan Paulus schreef, reeds was doorgedrongen, zooals zij meenen, die volhouden, dat dit stuk niet aan de gemeente te Rome kan zijn gericht. Wij behoeven alleen aan te nemen, dat men kennis had van deze beroeringen in andere gemeenten. Aquila, Prisca c. s., die met hein in het Oosten gewerkt hadden, konden den apostel zonder moeite verstaan. „Tweedracht" ziet op gemeentelijke scheuringen, „ergernis" op zedelijke afdwalingen. Uit „de leer, die gij geleerd hebt" heeft men afgeleid, dat Paulus de stichter zal geweest zijn van de gemeente, aan welke hij dit schreef; ten onrechte: er staat niet (zooals Fil. 4:9) „de leer, die gij van mij geleerd hebt". Vs. 17 zegt niets meer dan II. 0: 17. Tegenover het paulinische evangelie stond het wettelijke beginsel, hetwelk blijkens H. 1:8, 11 — 12; 6 : 17 en den brief in het algemeen te Rome nog geen vasten vorm had aangenomen. Xxovetv ziet meer op een vijand, die verwacht wordt, dan op een vijand, die reeds aanwezig is; volgens Passow beteekent het: in de verte zien; van een reeds tegenwoordigen vijand zegt Paulus fihéirere: zie 1 Kor. 3:10; Fil. 3:2; Kol. '2 .8. De lezers moesten voor die dwaalleeraars op hun hoede zijn en bij hun komst alle aanraking met hen vermijden.

Vs. 18. Deze menschen toch zijn niet alleen sensueele maar ook onoprechte naturen, huichelaars Zij leven voor hun buik: vgl. Fil. 3: 19; 2 Kor. 11:20, 21; Fil. 3:2. Zij maken van den dienst des evangelies een bron van winstbejag ten einde lage hartstochten te bevredigen. Bovendien hebben