Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezenheid, nu het gepraat ineens slonk.

Maar de woorden zeulden nog in zijn hoofd rond, herhaalden zich, in hem vastklinkend dat hij weg moest. „Waar zou-ie naar toe, naar Deventer ? Nee nog liever ging hij kapot! Maar wat moest-ie dan doen ?"

Suf-zwaar stond hij te lodder-kijken met vreemdige oogen, alsof die eigen oogen niet van hem waren. Hij keek, zonder dat hij wist waarom, naar de dochter, die ijverig in het vuur, dan weer in den pot morrelde, den etenspot deed opstoomen met geurenden soepwasem, wat begeerig in zijn neus opzoog, zijn kil-geworden hoofd verwarmde. Hij kon zich maar geen begrip vormen wat hij eigenlijk zou moeten aanvangen, als ze hem hier gingen uitstooten, door het vreemde leven nog meer ontwend aan regelmatig werken. Een scherp en klaar besef drong maar niet in hem door.

Daar buiten zagen zijn oogen de grijze sneeuwlucht, zoo zwaarhangend, zoo kil en klam — en het dorre veld er onder zoo eindeloos lang. Aan den anderen kant,

Sluiten