Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hamers nijdigden, heftigden, dreven de nagels in de hoeven, klonken die nagels om, nijdigden weer voort.

De vonkjes sparkelden weg onder de grifaankomende slagen, spatteden flusjes óp, vooral als de hamers even ketsten, gristen bijna óp tegen de handen der werkers, jonge kerels en mannen op volle kracht, die kromgebogen over de paardehoeven in werkhaast doorploeterden, maar even tijd nemend om het brakke zweet met een rappe handbeweging weg te vegen.

Vijlen raspten ruw de doorgeslagen, de omgeklonken nagels bij — een branderige lucht van gloeiende ijzers die met de bouten even tegen de hoef werden gedrukt, wolkte óp met scherpe, sissende damp, — en het hameren begon dan opnieuw.

Sluiten