is toegevoegd aan uw favorieten.

Machteloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichaam had zich in den slaap wel hersteld.

„Wie weet, murmelde ze voor haar heen, heeft de jenever niet meer voordeel gedaan dan nadeel en de moeheid eruit gejaagd!"

Spierkrachtig liep hij nu in den jongen morgen naar zijn werk, weer flink en luchtig aanvoelend het schraal-pezig lichaam, dat lenig zwiepte onder zijn wat groot rosbleek, zomersproeterig hoofd.

Op den Schevingschen weg, waar hij zich zoowat alleen zag, twinkelde het gebladerte koel-mooi. De boschjes terzijde, al in donkerder nazomer-groen bogen en wemelden met hun dunne takkendracht in de klare aanfrissching van den morgen.

De kruinen der boomen zwiepten lichtelijk, ruizelden onder den adem van den wind, die over de duinen heen zoelend aanstreek, als een zuiverend zachte zucht van dagverlangen.

De villa's stonden zoo proper, als gewassen in het dunne licht — en voor de ruiten der dakkamertjes bengelde hier en daar een enkel dienstmeidenmutsje; een vaag bewijs dat alles nog was aan 't slapen.