Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog voor je goedschiks binnen bent en hij hield zich daarom kloek en fiksch.

In zijn opgekromde wijde schoenen schoof hij nu nog wat flinker naar voren, maakte los uit de ritseljas de harde, magerige peeshand, hield bij het eerste tafeltje die hand met een doosje lucifers naar voren, wipte de be-ruigde lip scherper op, strekte de hand nog verder uit vragerig, met in de oogen een smeekuitdrukking van toe ,,geef me wat," zonder dat in woorden te zeggen.

De mijnheer aan het soeplepelen, die hem had zien aankomen, keek niet op, snauwde: „ga weg," bleet met zijn lepel doorklikken in het bijna-leege bord.

„Een doosie meneer, ik bin van morrege al van Rotterdam komme loope."

„Toe marcheer af, ga weg!"

De mijnheer bleef ijverig in het soepbord doorlepelen, de oogen stijf en strak erop, zoo strak alsof hij die oogen erin wou laten vallen.

Aan een tafeltje verder, een welgedaan man, behagelijk lekker in 't gevoel van mooien, weiverzorgden, gaaf-zwarten baard,

Sluiten