Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en deze vlijme redeneering monterde hem weer eenigszins op.

Hij liep nu de stad in, die in 't winkellicht wittend blankte, op sommige punten zelfs wit vlamde, een straling van wit uit raamkasten, waar licht-aan-licht konstant broeide, als felwitte polen, glanzende afstraling naar buiten kaatsend. Hij liep door die straten, onverschillig voor lawaai, aldoor peinzend over het toch wel goede van vroeger, over het slechte van thans, de eene gevolgtrekking door de andere halend, ze verwarrend — soms dezeltde zinnen vele malen herhalend, zonder een klaar besef of duidelijk begrip. Hij liep weer door donkere straten, met leekende lichten als druilende oogen, langs kaden, waar de groote gebouwen zwartend spookten, waar het licht uit eenzame lantaarns neerdroop, van verre neerkrinkelend dat schijnsel in het donkere water, dat daar, schamp-fulpte om die enkele lichtplek.

Hij liep weer terug naar 't felle licht, waar straatmeiden stoeiden en relden, en fijne mijnheertjes stijfelijk slenterden, waar

Sluiten