Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij bleef stompzinnig kijken naar 't brood op tafel.

„Je zussie Agnietje is verdronken."

„Ken ik 't hellepe!", gromde-die, me valsch ankijkend.

„Ja, je zussie is dóód," zei m'n vrouw.

't Ouwe, gluuprig-slechte gezicht van den jongen bewoog niet.

„Ze leit hiernaast," zei ik weer.

„Ken ik 't hellepe," antwoordde-die stug-onverschillig.

Om zes uur kregen ze allemaal warm eten. Bravig hadden we koteletten en aardappelen en groenten van 't hotel laten komen. In 't keukentje dee 't pijnlijk aan — die witte servetten — de hotelschotels, borden en vorken. Maar de kindren, Kris, Gijs en Dirk, voelden niets van de vreemdigheid — die vraten met groote brokken en bekloven de beendren en likten de borden af, babblend en druk om dat feest, dtlt echte vleesch, dat eten tot-je-niet-meer-kon. Telkens moest je ze sussen voor moeder en 't dooie zusje.

Tegen schemer gingen we naar huis. De koffie was koud geworden. In de slaapkamer lag de herrie der natte kleeren. Dien avond zaten we te berekenen hoe laat Rein Plas morgen zou aankomen, 't Telegram: „Keer dadelijk terug. Uw dochtertje is hoogst ernstig ziek", moest-ie tegen vier uur ontvangen hebben.

Sluiten