is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Liever leidde ik den aanval van mijn ijzren ridders

Zóó dat mijn zwaren helm beukte op mijn schouders;

Dan dit slap volkje wat hartstocht in te blazen!

Maar toch, het volk juicht altijd toe

Die 't laatste spreekt en 't hardste schreeuwt...

Geen tegenstand van hem! Hij hecht niet zóó...

Men zou zoo denken dat mijn heer broer,

Wel duizend andere rijken, ieder duizend keeren schooner

Dan zijn goed Friesland te vergeven had.

Godfried en Mara komen op, omgeven van edelen en edelvrouwen, voorafgegaan door pages. Mara is gekroond en draagt een licht-blauwen sluier die het gelaat open laat en langs haar rug en lendenen nedervalt over een slependen mantel van blauwgroen fluweel met zilveren bloemfiguren; overigens zelfde kleeding als voorheen. Zij zetten zich op de beide zetels.

Radboud begeeft zich naar den boom, buigt voor de vorsten en kust hen even knielend de hand, daarna gaat hij rechts van den koning op een der treden van den troon staan.

Eenige edelen komen. Dan Galama met het rijkszwaard en Siwarda met de rijksbanier. Ze stellen zich rechts en links op. Bisschop Ausonius met zijn geestelijken enz. Edelen, edelvrouwen, meisjes. Soldeniers, trompetters en speellieden.

De gilden met hun banieren, de Eerste Koopman aan hun hoofd. Hobbe onder de smeden. Zij scharen zich. Stilte.