is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JAZION

i.

ZION

1. Ik lag gebogen over d'afgrond van de tijden; toen werd mij bang te moede, om wat mijn oogen zagen.

2. Want daar was Nacht, de moeder van de Goden en de menschen, de bron van alle dingen en Nacht was duister en was zwart en er was koude als in 't harte van de dood.

3. In groote flakkeringen echter zag ik nu en dan een licht oplaaien; een stem in mij zei toen: Dit was een eeuwigheid, die oprees en verdoofde.

4. En andermaal werd het weer Nacht. Doch toen ik dieper toezag, mijn oogen wende aan het duister, toen zag ik dat Nacht werd als een grot, als een spelonk van somberte waarin oneindige fakkels brandden.

5. Want het werd licht; zie, in 't midden van de Nacht, daar werd geboren een licht punt, een fel punt, al stralend van overgloeiend licht; een punt dat beurtelings oneindig klein en beurtelings oneindig groot zich vormde in mijn verbaasde oogen.

6. En plots zag ik onmetelijke stralen van uit dit middelpunt onmetelijke cirkels vormen in de Nacht, onmetelijke bollen vormen in de Nacht en reusachtige vlammenraderen begonnen nu om 't middelpunt te