is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af recht boven de aarde, tot garven vlammend stapelden ze 't op.

31. Heer Sabaoth's donderende wagens, de mannen luide zingend in de lucht, kwamen woest nu aangerold en reden al het koren tot de verre molens, die malend stonden aan de schemerende kimme.

32. Met vuur bestoven Adonaï, de gouden Molenaar, te razen stond te midden van de machtge molensteenen, die rondgedreven werden door de drommen, heigend in een woesten draf.

33. Dan daverden de karren van de roode Eloï met krachtge paarden of ossen kras bespannen; in lange striemen liet hij zwieren scherpe riemen langs de manneruggen glimmend van 't zweet en weldra gutsend ook van menig renne bloeds, dat druppend neerzeeg in de poelen.

34. Doch aan den andren einder stonden steeds de hooge ovens van Astaphaios waar gillend deze om en om reed op zijn vuurge lichte karre, zijn groene mantel fladderend op de duistre luchten, sarrend de sombre bakkers aan en geeslend hen ten arbeid met helsche dreigementen.

35. In deze ovens nu werd 't vurig stuivend meel tot zonnen overnieuw gebakken, onmetelijke stapels hoopten daemonen in de nachten op en Ouraios op eenen troon gezeten, lachte donker om het werk, zag toe en brulde bijvalskreten half gesmoord, of zond zijn bevende trawanten met bevelen, immer angstig uitgevoerd.

36. Toen werden opgesteld de reuzige balansen; gewogen werden al d'immense bollen of afgemeten met't kompas en dan beschreven in een ijzren Boek, waar Eloï ontzettend vreemde teekens groef.