is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Wien zal ik zenden, o wie zal henengaan en wie wil dalen in de sombre holen van de Nacht, in duistre labyrinthen van de Stof, in de spelonken van de Hel en wederbrengen mij het wondere Kleinood, den Toover-Beker, die mij eens mijn Vrouwe schonk?

15. Zoo waarde Zion weenend door de gaarden, zoo weende hij aan vele vloeden loom, zoo blies hij zijne klachten door de zalen, zoo zong hij zijnen valen zang der smart.

16. Doch in 't meest verborgene van 't Pleroma, in 't midden van den Tuin des Midden, zie, daar was nog Schoonheid en nog Leven, daar wijlde nog de Vrede immer blij; te slapen lag daar Zionzone; de veelgeprezene Jazion lag daar ter rust.

17. Daar ruischten nog de rijke bronnen, daar zongen nog de zoete nachtegaals, daar wuifden nog de rozengeuren, daar deden nog de stille sterren hunnen dans-

18. Daar lag in 't luwe licht de schoone Jazion, zoo wonderrein en heerelijk; in één lijf paarde hij de weelde van den jongeling en 't meisje, want scheiding kent niet Kareol.

19. En in de teere ooren van den Heilgen Prins weerklonken ook de woorden Zions en Zijn roep: Wien zal ik zenden, o, wie zal henengaan?

20. Daar hief zich Jazion van zijne sponde en tot den troon zijns Vaders trad hij heen en boog de knie en strekte beide handen en zei:

21. Hier ben ik, Vader, zend mij heen.

22. Toen staakt' een wijle Zion Zijne klachten en boog het witte hoofd in eigen schoot, en kromp in een en wrong zich ook de edle handen en zuchtte diep uit zijnen borst en sprak: