is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kende waterdraken; daar spreidden vischdraken met reuzig groote oogen hunnen muskusgeur en geeselden de golven met hun staarten; daar omhalsden zich de woeste zwanedraken roeiend met hun breede pooten, duikend in de gladde diepten, glijdend weer in dichte drommen over spatterende baren; daar klapperden de natbedropen kaken en spoten waterstralen op; de zee werd omgeroerd tot in zijn bedding en stond te dansen als een kokend sop.

50. Onder luchten heet, op 't gouden land, in al de rijke wouden, aan de breede monden der rivieren, op grazige vlakten zongebrand nu grepen zich de brullende atlas-draken, de monsterlijke krokodillen, de domme brontosauriërs en paarden zich bij 't schateren der hemelsche bazuinen.

51. Want Jazion en zijn genoten waren half ontwaakt en stonden in ontzetting toe te zien de vreeselijke strijden en hoe de walgingwekkende vleugelhagedissen machtig door de luchten wiekten en de archeopteryx met kleurgen staart langs witte wolken zwierde ...

52. Doch langzaam aan verdween het gansche volk der woeste draken; een krijtlaag van veel duizend meters diepte werd gestapeld over hen.

53. Toen zaten de Argonauten stil in 't wisselen van dagen en seizoenen en zagen eeuw op eeuw de zon in ondergang begloren rijkgetooide avondvlinders die de eerste blanke bloemen zochten.

54. Doch immer sneller ging 't goddelijke Argo en 't was of 't purpur schip langs Weg der Liefde hooger trok 't organisch leven, dat immer sterker steeg tot doel nog ongeweten.

55. Want de nieuwe Archipel die nu verrees was woest