is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. De stad ontrolde zich in pracht van lumineuze straten, dalend, rijzend in oneindigheid, waar nu en dan omhoog weer rezen rosse muren dragend tuinen groen en blinkende paleizen, luide van 't wappren der banieren.

11. Nu ruischte heel de Stad van vreugde en festijnen als de bergen Hymalaya, wen Lente er haar intree viert en al de beken huppen naar de dalen en alom zich de alpen tooien met den blos der bloemen.

12. 't Was Evening van de Lente; gelijk gewogen werden Licht en Duister in de schaal der tijden; doch ging 't Licht ter overwinning stijgen.

13. Hoe sprongen nu de klaatrende fonteinen in vorstelijke hoven, hoe jubelden de daken van de lillende accoorden, hoe schaterden de wallen van 't koperen gebazuin!

14. Vervuld waren de stegen van heupwiegende bayadeeren en al de muren dreunden bij den tred der olifanten, die gouden bruiloftsparen torsten, peinzend bij 't geklaag der doedelzakken.

15. Gereden kwamen door een poort in draf de vrije vorsten van het zuiden, met oogen stralend, omgeven van den glans der donkre ruiteren, in wolken stof.

16. En op de bruggen hielden jonge edelen de teugels hunner schuimende gespannen; in lange karavanenrijen schommelden de rijkbeladen dromedarissen voorbij; en tusschen de gordijnen van de purpren palankijnen schoten vrouwen hunne donkre oogenvonken.

17. Loome zeboes trokken rammelende karren door de wemelende lanen der bazaars; daar lag gestapeld al de rijkdom van de oorden dezer Aarde.

18. Daar schitterde één wijk van al juweelen, edel goud,