is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke tafreelen, diep gehouwen in het steen: van oorlog, marteling en woeste lusten; hier liefden volkeren van steen in martelingen zonder einde, zich drukkend en versmeltend of krakend wulpsche ledematen; in helsche koppeling tot vreemde monsters saamgesmeed, of van elkaar gescheurd met afgerukte leden.

38. Gelijk een zuchten van verschrikking hijgde door de matelooze gaanderijen, als drijnen van veel onuitwischbaar bloed en als gereutel van zich folterende minners uit heel oude overmenschelijke tijden van

goddelijke kracht.

39. Daar pijlde bij het flakkren der flambouwen een zwarte Lingam star omhoog, 't Teeken van den God die immer schept en immer weer vernietigt om immer weer opnieuw te scheppen en bevruchten.

40. Toen duizelden de dronken Argonauten door elkaar en smoorden hunne lusten in geweldige druiventrossen, de armen om het roode Beeld geslagen; 't rijke sap der vruchten stroomde diep terneder in den schoot der moederlijke aarde.

41. Doch Jazion alleen steeg nu omhoog langs immer wentelende treden en lachend snelde hij, t hoofd met wijn omwingerd en langs spiralen eindeloos steeg hij gelijk een veder, totdat hij stond in ijle luchten op hoog verheven tinne en de aardsche stad als een reusachtiglijk gevlekte koe in matelooze diepten vluchtte.

42. En in den aanvang zag hij niets, doch dra begon de wemeling om hoog te rijzen, de parken en de straten, al de pleinen met de springende fonteinen, de huizen met de goudenen balcons, de donkerkleurige banieren en de duistere rivieren waar de krokodillen zwegen;