is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

51. O Tooverspiegel, Maan van zilver, waarin ik leven zie en sterven al de eeuwigheid, ik ken Uw fijnen glimlach van de saffierblauwe bergen en weet waar heen uw bleeke voeten ijlen.

52. Nu weven blanke nevelen hun weefsels om U heen en als een roode wonde drupt U 't harte; zoo sterft Gij, Vrouwe, zakkend in de leede wateren van de Nacht.

Wee mij, wee mij!

53. Toen zweeg de hooge Maagd, doch een jong licht werd nu geboren in het oosten op de wijde zee en vluchten reigers wiekten langs de luchten die verklssrdcn*

54. Toen hief zich Jazion en sloeg de blijde armen uit gelijk een zwaan die oprijst van de stranden en zeilen wil in 't pure meer en hij riep luid:

55. O Zon, verrijs; verrijs o vuurhaard wonder-woest; Gij Levenwekker, Geestverwekker, Hartensmeder,rijs!

56. Reeds zie ik zaamlen zich 't heir der zonnige herauten, reeds treden zij in purpur en in goud uit wijde mondpoort van de Nacht, reeds zie ik hoe zij de

bazuinen steken!

57. Hoor hoe de wijde klanken rijden, hoor hoe de hooge stooten stijgeren als blijde hengsten daavrend door de koele sfeeren.

58. Ha, heia, heia, heerlijk; heerlijke Zon, Uw helm. Uw harnas en Uw schild! Ha, zie ik nu getreden uit de sombere paleizen Uw heerlijk glanzend lijf, Gij Hart des Hemels?

59. O Broeder mijn, Uw oogen zie ik schijnen in de mijne; o Broeder mijn een gloeiend zwaard voel ik in mijne ingewanden rijzen tot mijn Hart!