is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60. O Koning, welke is mijn kracht en welk is toch mijn weten; ik ben uit slaap en woeste lusten opgerezen en nu is 't of Uw zwaard een deure opsnijdt in mijn Hart, dat al de ongeweten schatten stroomen tot de kameren van mijn nu ontgloeide lijf.

61. Ik groet U Koning van de Dagen; de Kracht die Gij mij geeft, zal ik tot Schoonheid al verklaren.

62. Hij zweeg. Toen riep over de oneindigheid der volkenrijke steden tot hem de hooge Maagd:

63. O Dyonisos, die gekroond van wingerdranken te schudden staat op uwen hoogen toren, ik smeek U, Held, kom tot mij heen, zoo wil ik U mijn Werken toonen.

64. O Maagd, die ik Medea noem, ik ken Uw witte lachen; zoo zag ik lachen dezen nacht de bleeke maan, toen zij de sterren lokte in 't graf der zeeën.

65. Doch Maagd, ik smeek U kom tot mijnen toren, te drinken geef ik vuurgen wijn en rillen zult Gij als

een jonge bruid.

66. Ach Groote Held, die stralend staat in purperen gewaden, de Zon, o zie, rijst langs Uw lendenen omhoog; zoo kom toch tot mijn bronzen Ketel.

67. Twee Paarlen kookte ik slechts in 't ijlen van de eeuwen, de derde wil mij nimmer lukken; doch leerde mij mijn moeder Gaia hoe ik bevrijd zal zijn van mijne weeën, zoo ik drie Pure Paarlen vind.

68. Te drinken geef ik van 't vocht mijn apen, lange eeuwen, doch geen die edler wordt en mij de kunst kan leeren. En andermaal verdween de wijze Maan!

69. O Held, ik hoor het juichen van een leeuwerik hoog boven U in luisterrijke luchten, nu komt Gij toch tot mij?