Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en haar lijk, de Maan en den verschrikkelijken God der Schepping; toen heb ik woest gekreten; ik stortte mij in helsche Wateren en vond U weer in 't Plein des Midden.

102. Gebroken is mijn Scepter, en neergedonderd is mijn Troon, gevangen ben ik op de Aarde en Ouraios heeft Kareol gezet tot kleinood in zijn kroon.

103. Toen zweeg de Groote Koning; 't licht verduisterde in 't Hart van Jazion en Medea en vele nachten weenden zij gebogen over 't ledig Plein der Schoonheid.

104. Doch eindlijk voer omhoog de edle Jazion en sprak:

105. Verzoek mij niet met Uwe raadselen, die immer, zonder ruste, nieuwe raadsels baren zullen. Laat af van 't eeuwiglijk doorwoelen aller Dingen; de Eenheid die Gij zoekt, ligt in uw Hart geborgen als een Gulden Ring.

106. Herinnering komt mij weder als een wonderblanke duive en geeft mij Kracht en Wijsheid terug.

107. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven; de Vader is in mij, gelijk ik ben in mijnen Vader.

108. O Vrouw, ik heb U lief, doch weet ik mijn misdragen; ik stel dit Babel tot een kampplaats voor mijn Vader, hier wil ik strijden voor mijn Heer!

109. In troeble stroomen zal ik hier mijn Net der Liefde nederlaten, zóó visschen 't edele kleinood verzonken in de zeeën; het mijnen Vader aan de voeten wederleggen.

110. Medea sprak: Ik heb U lief, o Jazion, en help U zoo ik moge.

Sluiten