Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56. Vergeefs heb ik de banen van het Lot gesteld? En Ouraios' Geboden gelden niet voor Jazion, zijn kind?

57. Zoo weet, Uw lichaam is mijn ding, Jij sterfelijke dwaas!

58. Held Jazion riep rillend terug: Mijn leven is een ander dan het uwe, zoo gij mij doodt, zoo sterft gij zelf met al uw booze broeders.

59. Daar wierp van uit de hooge luchten God Ouraios zijn steenen Tafelen naar Jazion omlaag, doch op diens gouden schild sprong af de Eeuwge Wet en duizelde terneder in het stof.

60. Met al zijn zonnen voer hij steunend henen, Ouraios; hij zag hoe nu zijn licht ging dalen en Duisternis hem wenkt' met koude waden van den Dood.

61. De Edlen echter daalden af, terneder tusschen al de hooge bergen.

62. Daar lag, gelijk een spiegel wonderdiep, te glanzen een klein meer, waarop een zwane voer, die in zijn zwarten snavel hield een gouden ring, waarin het leven dezer aarde was gebonden.

63. Terneder ging nu Jazion en sprak aldus tot zijn geliefden zwaan:

64. O Vogel mijn, ik, die uw blanke veeren zoo menigmaal bestreelde met mijn hand, ik kom nu tot u heen met dit mijn laatst bevel. Zoo gij nu in de wolken glanzen ziet 't Beeld des Hoogen Zoon's; dan vaar ik heen met mijne Schatten; o, laat dan in de diepten diep verzinken uwen ring.

65. De zwaan zweeg stil en boog den edlen hals en voer zeer zachtkens voort te roeien op het meer waar 't beeld der beide edelen verglansde.

66. De bergen Hymalaya klaarden van het licht der

Sluiten