Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

83. De bodem werd diep omgeroerd en schreeuwend opgereten; nu ploften in de voren de zware bonken aarde; lang dreund' de grond, de rotsen kraakten en damp en geur sloeg op uit rijpe velden.

84. Nu zaaide hij de tanden en toen het groote licht ging dalen, had de woeste ploeger heel het sombre veld geploegd en een diep zuchten slaakte 't volk van Babel.

85. Toen joeg hij weg met zijne lans de nu vermoeide stieren en met gelach keerd' hij tot waar de jubelende

Argonauten stonden.

86. Doch nu begon onmetelijk gedreun te hijgen over de velden; de reuzen aan de aard ontgroeid, verhieven hunne schilden en hun lansen; de hemel lichtte van het glanzen hunner helmen groot.

87. Daar greep held Jazion de Steenen Wetten en sprong naar voren met een grooten sprong en spande zijne spieren en wierp de zware Tafelen te midden van de aardgeborene geweldigen.

88. In feilen strijd en hebzucht stortten dezen zich nu op elkander, worstlend om 't bezit der steenen; van de stooten hunner lansen, de donderslagen hunner hameren en van 't gestook der felle zwaarden vielen ze terneer als torens vallend met hun macht van luide bronzen klokken; doch al de Argonauten lachten.

89. Gelijk een adelaar op zijne prooi, zoo schoot Held Jazion te voor en doodde al de overige reuzen, onmeetlijk onder somberende luchten was 't vreugdgeschrei der Argonauten; Medea viel nu weenende aan

's Vorsten borst.

90. Heer Aiètès verbleekte en zonder woorden wendde hij zich af en keerde naar de stad in het geloop van zijne zwarte rossen.

Sluiten