Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het voor mogelijk houdt, dat het vrouwelijk organisme aanpassingsvermogen tot eiken kultuurarbeid bezit, daa wel in de teerheid van dat organisme grond vindt tot een meer subtiele, zorgvolle behandeling.

Des te zwaarder valt de oplossing dezer reeds moeilijke vraagstukken nog hierdoor, dat onder de paedagogen zelf geen eenstemmigheid heerscht, in hoever de verschillende vakken werkelijk dienstbaar gemaakt kunnen worden aan het doel, waarvoor ze in het leerplan zijn opgenomen. Zoo is bijv., voor zoover mij bekend is, nog nimmer nauwkeurig onderzocht, in welke mate de mathematica het logisch denken bevordert.

Daarbij komt d;m ten slotte nog de strijd over de methode, die het best in deze of gene richting de waarde van een vak tot ontwikkeling brengt.

Wel een verscheidenheid van meeningen dus met betrekking tot het doel, waarop de moderne opvoeding der vrouw moet aansturen, en de middelen, welke haar ten dienste staan.

Lust tot den arbeid.

In principe kan elk doel bij de opvoeding goed zijn.

Maar terwijl in den strijd tusschen formeele en materieele opvoeding nimmer uit het oog moet worden verloren, dat als hulpmiddel voor vormend onderwijs geen waardelooze leerstof mag worden geduld, heeft anderzijds de leerstof pas waarde, indien zich uit haar kan ontwikkelen, wat ik levende kracht noem. Leerstof, arm aan inhoud, leerstof, die den geest voortdurend passief laat, moet onverbiddelijk worden afgewezen. Veel meer is het wa;ird, over een gering aantal vakken, met sober toegemeten stof, een hooge mate van energieontwikkeling te bereiken, dan wanneer in overvloed van stof de geestelijke energie tot een bloote receptiviteit wordt neergedrukt.

Levende kracht! Dat is de schoonste vrucht van alle onderwijs. Kan zich die kracht ontwikkelen op een terrein van wetenschap, dan is den leerlingen een bezits-

Sluiten