Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nimmer voor hem hun waarde ontleenen aan zeker gezag van buiten. Van geloof is dus hier geen sprake: „eine geglaubte Philosophie," zegt Paulsen, „ist ein innerer Widerspruch, nicht minder wie eine erdachte Religion." Voor iedere wijsbegeerte is een aanvankelijke twijfel en ongeloof een eerste vereischte; vandaar dat een godsdienstige wijsbegeerte een ongerijmdheid ware. „De wijsbegeerte," zegt Lewes terecht,') „moge zich met dezelfde vraagstukken bezighouden als de godsdienst, zij maakt gebruik van gansch andere criteria en berust op geheel verschillende beginselen." Zoo ware ook omgekeerd een intellectueel e godsdienst een innerlijke tegenstrijdigheid; want de godsdienst richt zich niet tot het verstand maar tot het hart. Vandaar ook dat wij in alle godsdiensten nevens dogmatische ook piëtistische en mystieke elementen aantreffen, voldoende aan de behoeften van hen die zich voelen aangetrokken tot het geheimzinnige en raadselachtige.

In tegenstelling dus van de wijsbegeerte, is de godsdienst gewoonlijk heteronoom van aard, d. i. hij berust voor een groot deel op autoriteitsgeloof, beroept zich op zeker gezag van buiten. De logica der aangehangen geloofsvoorstellingen treedt daarbij op den achtergrond, en een op haar aangewende verstandelijke critiek wordt geenszins welkom geheeten. „Wie zich," zegt Land, 2) „door zijn godsdienst geheel bevredigd

') G. H. Lewes. History of philosophy, I pag. 409. 2) Land. Inleiding tot de wijsbegeerte, pag. 405.

Sluiten