Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. door den erfgenaam in de regte nederdalende linie en door den met hem overeenkomstig het laatste lid van art. 28 gelijkgestelden langstlevenden echtgenoot, indien hetgeen aan elk hunner uit het actief opkomt volgens de specifieke aangifte geen duizend gulden te boven gaat;

c. door den Staat.

Manneer ten gevolge van verwerping de boedel geheel door erfgenamen in de regte linie of door deze en den in art. 56 n°. 3, bedoelden echtgenoot verkregen wordt, is lit. b van dit artikel niet toepasselijk.

De in lit. b bedoelde personen leggen, indien in boedels legaten zijn besproken, niet van het regt vrijgesteld en niet bestaande in vaste en bepaalde sommen, op boven omschreven wijze en plaats, den volgenden eed (verklaring) af:

„Ik zweer (verklaar) dat ik in gemoede vermeen voor „den boedel van N. N. alles, waarvoor regt van successie „of van overgang verschuldigd is, opregtelijk te hebben „aangegeven."

„Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig."

(Dat verklaar ik.)

Die personen leggen evenwel den eed (verklaring) af, bedoeld in art. 28, indien het niet van het regt vrijgestelde legaat bestaat in een vruchtgebruik van de geheele nalatenschap of van een evenredig deel daarvan

Art. 30.

Behoudens de uitzonderingen bij het vorig artikel bepaald wordt op gelijke wijze door degenen, die een vruchtgebruik bij opvolging verkrijgen of door de verwachters, die door overlijden of door overdragt

Sluiten