is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 35.

De memoriën van aangifte, waarin de goederen niet, overeenkomstig het voorschrift dezer wet, zijn aangewezen, of waarin ontbreekt hetzij de omschrijving van onroerende goederen, hetzij de verklaring, dat geene onroerende goederen zijn nagelaten, of de ontkennende opgave bij art. 14 voorgeschreven, of waarin niet al de opgaven voorkomen welke voor de berekening van de belasting worden vereischt, worden geweigerd, met schriftelijke aanwijzing van hetgeen aan de aangifte ontbreekt.

Art. 36.

Wanneer, na verloop van den termijn tot aangifte, blijkt, dat niet al wat door het overlijden werd geërfd of verkregen, is aangegeven; dat lasten of schulden zijn opgegeven, welke niet tot de nalatenschap behooren; dat de buitenlandsche bezittingen of de roerende goederen, in art. 23, n°. 1, onder de letters e, q en i vermeld, niet tot de wezenlijke waarde zijn aangegeven, of dat eenige andere verkeerde opgave of verzwijging, ten nadeele van 's Riiks schatkist, heeft plaats gehad, wordt tegen hen, die daarvan geene nadere aangifte hebben gedaan, dwangschrift uitgevaardigd tot betaling eener daarbij uit te drukken som, op gelijke wijze en ten zelfden einde als bij art. 21 is bepaald. *)

Het dwangschrift mag echter niet worde uitgevaardigd dan nadat eene maand, te rekenen van den laatsten dag van den termijn tot aangifte, is verloopen.

De belanghebbenden worden van de boeten ontheven, zoo zij van hunne onschuld doen blijken.

Verg. art. 5 laatste lid en art. 16 wet 1897.

') De verhooging van het recht is bij art. 16 wet 1897 gesteld „op een „bedrag, gelijk aan dat van het verschuldigde recht." Dat artikel i s opgenomen na art. 37.

4