is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Dat de schuldeischers, die van het hun bij art. 1107 B.W. toegekende recht gebruik maken, geen erfgenamen worden, wordt vrijwel algemeen aangenomen. (Verg. Diephuis IX, 183 env., Opzoomer IV, 425 env., Land II2, 197 env.)

10. De erfgenaam die zijn erfdeel verkoopt, draagt volgens den H. R. daarmede slechts zijn aandeel in de tot de nalatenschap behoorende zaken over (Verg. arresten 21 Juni 1872 P. W. 6369 en 4 Juni 1880 P. W. 6523) en zal dus tot aangifte gehouden blijven.

11. Indien een erfgenaam sterft voordat hij aangifte heeft gedaan, gaat de verplichting daartoe op zijne erfgenamen over.

12. Wonen alle erfgenamen in het buitenland, dan zijn de uitvoerders der uiterste wilsbeschikkingen tot het doen van de aangifte verplicht; hebben één of meer der erfgenamen hunne woonplaats hier te lande, dan zijn de executeurs tot die aangifte bevoegd.

Alleen de aangifte van executeurs, die op de in art. 1052 B. W. bedoelde wijze zijn benoemd, kunnen worden aangenomen. Het Bestuur der registratie neemt tegenwoordig, in tegenstelling met hare vroegere meening, doch in overeenstemming met het gevoelen van Opzoomer IV, 335, noot 2, Diephuis V, n°. 3, Land II2, 146 en het arrest van den H. R. dd°. 11 April 1845, de memorie aan, ingediend door een executeur in den boedel van iemand, die niet over zijne nalatenschap heeft beschikt (P. W. 7737.)

Niettegenstaande de door den executeur ingediende memorie is 's Rijks ambtenaar bevoegd, om, binnen het jaar na die indiening, van één of meer der erfgenamen van den overledene eene aangifte te vorderen op de bij art. 18 der wet van 1897 bepaalde wijze.