Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de daarvoor in de plaats komende waarde onder de baten behooren te worden opgenomen. (Verg. de Wilde § 24 en Sprenger van Eijk n°. 34.)

Inbreng wegens genoten schenkingen, zelfs al geschiedde deze in natura, behoort niet tot de nalatenschap. Bij inbreng worden de schenkingen niet als bij inkorting, te niet gedaan.

Het recht van huur, dat den erflater toekwam, en niet door zijn overlijden verviel, kan verkoopwaarde hebben, en dan in aanmerking komen voor het successierecht, wanneer het recht voor overdracht vatbaar is. Het Bestuur der registratie let er alleen op, of de huur verkoopwaarde heeft, welke bepaald wordt door de vergelijking tusschen hetgeen betaald wordt en ontvangen kan worden en vraagt niet naar de mogelijkheid van de overdracht. (P.W. 3122, 5773, 6180.)

Ook hetgeen erflater erfde behoort tot zijne nalatenschap, tenzij dit door hem of zijne erfgenamen mocht zijn verworpen, in welk geval hij geacht wordt nooit erfgenaam geweest te zijn. (Verg. B.Wr. 1104 j°. 1097.)

Voor hetgeen den erflater gelegateerd werd, geldt hetzelfde met deze onderscheiding:

Is eene bepaald aangewezen zaak gelegateerd dan is de erflater eigenaar geworden door het overlijden van den testateur en behoort zij derhalve tot den boedel van den legataris (cf Bestuur in P.W. 4997 en 5962, in overeenstemming met de arresten van den Hoogen Raad dd°. 19 April 1861 — P.W. 3765 — en 4 Maart

1881 P.W. 6733 —) ook al heeft de afgifte nog niet

plaats gehad.

Bestaat het gelegateerde in vervangbare zaken en waren deze aan erflater afgegeven, dan behooren zij tot zijn vermogen; had de afgifte nog niet plaats gehad, dan behoort onder het actief zijner nalatenschap te worden aangegeven een vordering tot afgifte van het legaat.

Sluiten