Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schap behoort, moet worden beantwoord door het burgerlijk recht. Over de vele questies die zich bij die vraag voordoen, raadplege men de schrijvers over het burgerlijk recht, zoomede de Wilde in § 49 env.

Ik meen voor dit werkje te kunnen volstaan met de meening van het Bestuur der registratie te vermelden ten opzichte van eenige der voornaamste questiën.

Zoo valt volgens het Bestuur het recht van vruchtgebruik niet in de gemeenschap, wegens het persoonlijk karakter daarvan. Wel vallen daarin de vruchten, die het recht afwerpt. (P.W. 712, 3680, 4166, 4510.)

Het dringt daarom, bij het overlijden van de met den vruchtgebruiker in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot, niet aan op de aangifte van de helft der waarde van het vruchtgebruik onder de bestanddeelen der nalatenschap.

Geven de aangevers deze vrijwillig aan, dan wordt de aangifte gevolgd en het recht dienovereenkomstig berekend. (P. W. 9436.)

Voor eene lijfrente besliste het Bestuur het zelfde bij P.W. 2948 en 4510.

Denken de aangevers er evenwel anders over, dan volgt het Bestuur de opvatting der belanghebbenden. (P.W. 9437.)

Verg. voor de loopende en vervallen termijnen \an tractementen of pensioenen de aanteekening op bladz. 115 hiervoor.

Zie voor uitkeeringen uit levensverzekeringen de aanteekening op bladz. 118 hiervoor.

Ook valt volgens het Bestuur niet in de gemeenschap hetgeen onder bezwaar van fidei-commis aan een der echtgenooten is vermaakt (P.W. 5023, 8955); op grond dat dit het persoonlijk eigendom is van den bezwaarden erfgenaam of legataris.

Anders oordeelt het over hetgeen, dat onder bezwaar van fidei-commis de residuo door een der echtgenooten is verkregen, aangezien daarvoor niet bestaat

Sluiten