Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïnen van het Sinaï-schiereiland, die zich op het gebied van Palestina, waar zij eene algemeene anarchie verwekten, genesteld hadden. Zij werden door Sethos bij „de burcht van Kanaan" verslagen. Ook in deze roovers, gelijk zij hier heeten, wil Meyer Hebreërs zien. Brengt nu een en ander met elkaar in verband en gij krijgt de volgende voorstelling van het verloop der zaak: reeds omstreeks 1400 v. C. vallen Hebreërs in Kanaan en deze „trek" van bedoeïnenstammen houdt gedurende eenige geslachten aan, gelijk blijkt uit den krijg van Sethos. Omstreeks i230 v. C. echter vinden wij Israël in Kanaan onder den naam, die eens in de wereldhistorie zou schitteren met éénigen glans. Het is een prachtige combinatie. Als bewezen kan worden: 1° dat de Chabiri de Hebreërs zijn 2° dat Isir'r = Israël is en 3° dat de Sasu, die door Sethos verslagen werden, tot de Hebreërs gerekend mogen worden — dit alles is nü nog problematisch — dan kunnen wij hare juistheid gerust erkennen.

Doch het is geschied, dat iemand ezelinnen zoekende een koningskroon vond. Zoo was het ook hier. Men wist uit het Oude Testament, dat Israël geenszins het geïsoleerde volk geweest was, waarvoor men het lang gehouden had. Integendeel: de Israëlieten waren blijkens de klachten, die daarover in het Oude Testament worden aangeheven, altoos bereid om andere volken na te volgen. Zoo hadden zij zich ook ingeleefd in de kanaanietische kuituur. En ziet: over die kanaanietische kuituur verspreidde de Tell-el-Amarna-vondst een merkwaardig licht. Het bleek, dat omstreeks 1400 v. C. de wijsheid van Egypte over Palestina straalde. Maar nog sterker bleek de invloed van het Oosten. Immers de brieven der kanaanietische vazallen aan hunnen egyptischen opperheer waren geschreven in het babylonisch, op babylonische kleitabletten en in spijkerschrift. Kon duidelijker worden

Sluiten