Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rende den ganschen tijd, waarin iemand godsdienstige vereering aan zijn doode brengt — moet hij Jahwe mijden. En een uitgebreid ceremoniëel is noodig om hem te reinigen. Tot iedere reiniging behooren wasschingen van het lichaam en verandering of reiniging der kleeding, opdat de taboes, de infecties, verwijderd worden En daar men voortdurend aan de werking van hoogere machten bloot staat, reinigt de priester zich altoos, voordat hij het heiligdom binnentreedt. Dieren, die tot den offerdienst van een anderen god behooren, verontreinigen den mensch, die ze eet, voor Jahwe. Kortom: de reinheidswetten der joden zijn een overblijfsel uit tijden, toen Israël nog aan het bestaan van allerlei hoogere wezens geloofde, toen Jahwe nog „naijverig" op „andere" goden was. Natuurlijk is de oorspronkelijke beteekenis der reinheidswetten in vergetelheid geraakt; maar de riten overleven de denkbeelden, waaraan zij hun ontstaan danken en zij krijgen allengs een anderen zin. Het geloof, dat men zich moet reinigen door andere kleederen aan te trekken, als men met God in verbinding treedt, is verdwenen; maar het zondagskleed is gebleven. Het geloof, dat men zijn doode godsdienstige vereering moet brengen en dat men zich daarvoor heeft te hullen in een bepaald gewaad, behoort tot het verleden; maar het rouwkleed heeft zich gehandhaafd. Zoo leeft de oudheid in het heden voort.

Doch er is meer: de comparatieve wetenschap heeft ons een levendig beeld gegeven van het geestelijke verkeer onder de volken en voldingend is bewezen, dat ook Israël geenszins alleen stoffelijk goed uit vreemde landen betrok. Vele verhalen blijken internationaal geweest te zijn. Ik denk aan het verhaal, waarin Sargon van Agade, die omstreeks 3800 v. C. moet geleefd hebben, zegt, dat zijne moeder hem in 't verborgen ter wereld bracht, waarna zij hem in een biezen kistje legde, dat zij met aardpek bestreek en dat

Sluiten