is toegevoegd aan uw favorieten.

Israël in het licht der jongste onderzoekingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duizend raven in schranderheid te boven gaat en Utnapistim — de bab}rlonische Noach — verlaat aanstonds de ark. Men proeft uit deze domheden den babylonischen scribent, die, gedoken tusschen zijne kleitabletten, van het werkelijke leven niets weet. De Hebreër geeft ons een geheel ander bericht. Hij laat Noach proeven nemen met al de wijsheid, die een verstandig man in zijnen stamvader behoort te onderstellen. Lees het verhaal, zooals het in zijn oudste redactie luidt: „Nadat de regen opgehouden had, wachtte Noach zeven dagen en daarna opende hij het venster van de ark. En hij liet" — de oudste redactie kent geen raaf — „een duif uit om te zien, of het water was afgenomen van den aardbodem; maar de duif vond geen plaats, waar zij rusten kon. Daarom kwam zij terug naar de ark. Hierop wachtte Noach nogmaals zeven dagen en daarna liet hij de duif weder uit de ark. Zij kwam eerst tegen den avond terug en zie: zij bracht een friseh olijfblad meê. Hieraan bemerkte Noach, dat het water van de aarde afgenomen was. Toen wachtte Noach nog eens zeven dagen en weer zond hij de duif uit, die nu wegbleef. Toen nam Noach het dak van de ark weg en hij zag uit en ziedaar: de oppervlakte deiaarde was droog geworden".

Dit is een karakteristiek verschil. Ja, maar wij moeten voorzichtig zijn. Het zontvloedsverhaal is stellig in Babel ontstaan ; maar dan spreekt het vanzelf, dat de domheden van Utnapistim hem eerst later zijn aangewreven. In de oorspronkelijke sage moet Utnapistim veel wijzer geweest zijn en wij worden in dit vermoeden versterkt door zijn bijnaam Atra-hasis d. i. de zeer schrandere. Bovendien hebben wij nog een babylonisch zontvloedsverhaal, dat ons wordt medegedeeld door Berossus, een babylonischen Beis-priester, die omstreeks 300 v. C. leefde en daarin vinden wij eene voorstelling, die aan de teekening van