Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het oudtestamentische verhaal bijna volkomen beantwoordt. Het eenige verschil is, dat de vogels, als zij voor de tweede maal worden uitgezonden, bij Berossus geen frisch olijfblad meebrengen, maar verraden, dat zij in slik hebben rondgewaad. Doch ook wanneer wij dit in aanmerking nemen, dan blijft eene vergelijking van de beide zontvloedsverhalen hoogst merkwaardig. Immers leert men den geest der volken uit niets beter kennen dan uit hetgeen zij van éénzelfde stof allengs hebben gemaakt. In de babylonische zontvloedssage is het verhaal van de uitzending der vogels eene ondergeschikte episode geworden. Alle werk daarentegen wordt gemaakt van den vloed zelf, die zóó verschrikkelijk is, dat de goden jammeren over het kwaad, dat zij hebben gesticht. Met verschrikte kettinghonden worden zij vergeleken. Luide klachten heft Istar aan. Belit, de goddelijke moeder der menschen weent en al de goden weenen met haar. Angstig en gebogen zitten zij neder met uitzondering van Bel, die, aanstichter van den vloed, straks woedend is, wanneer hij bespeurt, dat Utnapistim met zijne vrouw door een list van Ea ontkomen is. Een heftige scène onder de goden volgt; maar ten slotte wordt alles geschikt en er is blijdschap onder de goden over Utnapistim's offer, waarop zij als vliegen aanstormen. Alleen Bel krijgt tot zijn straf niets meê. Hoe geheel anders heeft zich de hebreeuwsche sage ontwikkeld. Wanneer men na het babyIonische verhaal de israëlietische sage in hare oudste redactie leest, dan krijgt men een gevoel, alsof men uit een hel verlichte zaal, waarin het verre van stichtelijk toeging, eensklaps verplaatst wordt in een zwitserschen nacht en de reine sneeuw ligt op de bergen en de klare sterren flonkeren daarboven in zwijgende majesteit. Voorop staat het motief van den zontvloed, waarvan men in het babyIonische verhaal nauwlijks eene aanduiding vindt: de groote verdorvenheid der menschen, dan volgt de zorg

Sluiten