Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O, Heer, mijne zonden zijn vele, groot zyn myne overtredingen, Mijn God, mijne zonden zijn vele, groot zijn mijne overtredingen, Mijne godin, mijne zonden zyn vele, groot zijn mijne overtredingen, God, dien ik ken, niet ken, mijne zonden zijn vele, groot zyn mijne

[overtredingen.

Godin, die ik ken, niet ken, myne zonden zijn vele, groot zijn myne

[overtredingen.

De zonde, die ik begaan heb, ken ik niet,

De overtreding, die ik gepleegd heb, ken ik niet,

Het verbodene, waarvan ik gegeten heb, ken ik niet,

Den gruwel, waarop ik getreden heb, ken ik niet.

Wij zien dus, dat de Babyloniër in de hartstochtelijkste betuigingen van schuld kan uitbarsten, ofschoon hem alle besef van schuld ontbreekt. Hoe hij dan weet, dat hij gezondigd heeft? Het vervolg van het gebed zegt het:

De Heer heeft in zijn toorn mij boos aangezien,

De god heeft in zijne grimmigheid mij vyandig getroffen,

De godin heeft tegen my getoornd, mij aan een kranke gelijk gemaakt, De god, dien ik ken, niet ken, heeft mij in de engte gedreven, De godin, die ik ken, niet ken, heeft my in smart gedompeld.

De boeteling besluit derhalve uit het feit, dat eene ramp hem getroffen heeft, tot het feit, dat hij een god vertoornd heeft en hij tracht dien god te vermurwen door zich klein te maken tegenover hem, zooals men zich klein maakt tegenover een beleedigd oostersch monarch. Van het „diepe" schuldgevoel, dat vele assyriologen en theologen in de babylonische boetpsalmen hebben gevonden, heb ik bitter weinig kunnen ontdekken. En ook waar schuldbesef is, waar men weet, in welk opzicht men overtreden heeft, daar blijft de bede eene bede om afwending van rampen. Zij stijgt nooit tot eene bede om verlossing van zedelijke verkeerdheid, zij raakt nooit aan dat israëlietische:

Schep my een rein hart, o God

En leg in my een nieuwen, standvastigen geest.

Na deze opmerkingen ziet ieder de groote beteekenis

Sluiten