Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik reken daarbij in geen geringe mate op uwe medewerking, leden der litterarische faculteit. De blijken van vriendschappelijke gezindheid, die ik uit uwen kring mocht ontvangen, doen mij verwachten, dat onze omgang bevorderlijk zal zijn aan mijne studiën. Willen wij in onze dagen, waarin ieder vak van wetenschap de krachten van den onderzoeker geheel in beslag neemt, behoed blijven voor eenzijdigheid, dan is vriendschappelijk verkeer tusschen verschillende geleerden dringend noodzakelijk. Het is geen gelegenheidsuitdrukking, als ik zeg, dat ik mij van uwe voorlichting veel beloof.

Maar evenzeer zal ik uwen steun behoeven, leden deitheologische faculteit. Immers al zal ik behooren tot de litterarische faculteit, ik zal toch ook zitting hebben in de uwe en uwe leerlingen zullen de mijne zijn. Op uwe welwillendheid doe ik geen beroep, omdat gij mij uwe vriendschappelijke gezindheid sinds menig jaar bewezen hebt. Terwijl ik mij in uwe blijvende vriendschap aanbeveel, spreek ik de hoop uit, dat onze gemeenschappelijke arbeid menigen jongere moge bezielen met liefde voor de godgeleerde wetenschap.

Doch hoe zal ik vertolken, wat in mij omgaat, nu ik mij tot u richt, hooggeachte Matthes, leermeester bij uitnemendheid, die mijne studiën hebt geleid, die altoos een levendig belang in mijn werk hebt gesteld, die mij gesteund hebt door uw raad, die mij eene vriendschap hebt geschonken, waarvoor ik u nooit genoeg danken kan. Indien ik in deze ure al den ernst besef van het werk, dat ik op mij neem, dan is het vooral, omdat uw voorbeeld mij voor den geest staat. Hoe zal ik u ooit kunnen vervangen! Ik kan slechts beloven, dat ik mij steeds u tot voorbeeld stellen zal. En waar ik u dank voor hetgeen gij voor mij geweest zijt, daar mag ik u wel danken namens zeer velen voor al wat gij ons gaaft. Laat mij er den wensch bijvoegen, dat Teyler's theologisch tijdschrift

Sluiten