Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheidt de arvas ter eenre van de Qüdras ter andere, als l)ij de Romeinen oudtijds de patriciërs van de plebejers. Maar de laatste is betrekkelijk vroeg gedempt geworden, in Indië gaapt zij nog heden even wijd als, ik mag gerust zeggen, voor 3000 jaren.

Niet alleen de scheiding tusschen arvas en Qüdras is zoo oud, ook die van de arvas in de drie standen, waarin wij ze reeds in een Rgwedisch getuigenis verdeeld vinden. Kern heeft indertijd met mijns inziens onbetwistbare gronden aangetoond dat zij, altans in de hoofdlijnen, opklimt tot den tijd dat Indiërs en Iraniërs nog eene eenheid vormden9). Hoe men zich het ontstaan van die drie volksafdeelingen onder de Ariërs ook mag voorstellen, de rangorde: 1. offerkundigen en bidders, 2. krijgslieden en ridders, 13. eigenerfde huislieden, die veeteelt en ook landbouw drijven, vertoont zich reeds aan het begin der ons bekende overlevering. De allegorische voorstelling, volgens welke de brahmanen uit des Scheppers mond, de ridders uit diens armen, de waicvas uit diens dijen en de (.Tidras uit diens voeten voortgekomen zijn, staat al in een Rgwedalied; wel is waar behoort dit tot het naar tijdsorde jongste boek, maar toch is het ons bekend uit een tijdvak ouder dan de vervaardiging der Homerische gedichten.

De wai<;vas zullen wel de meerderheid der Arische bevolking hebben gevormd. Men acht het niet waarschijnlijk dat zij in die overoude tijden, toen de Rgwcdaliederen gedicht zijn, geen krijgsdienst verrichtten, zooals dat in latere eeuwen het geval was. Dat zij oorspronkelijk tot de weerbare man-

9) Zie Versl. on Mededeelingen der Kon. Akademie van Wetenschappen . Afd. Lett., Tweede Reeks. II, 25 vgg. (1871).

Sluiten