Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid.

VOORREDE.

Hier mocht de plaats zijn, om tot den weiwillenden lezer zoowel als tot den onwelwillenden kritikus eenige ophelderende woorden te richten, die de persoonlijke verhouding van den schrijver tot zijn werk betreffen. Het eerste verwijt, dat ik verwacht, is gebrek aan geleerdheid, dat zich meer nog indirekt, tusschen de regels, dan in het werkje zelf direkt verraadt. Hoe durft gij, vraag ik mijzelf af, het publiek uw bewerking van een onderwerp voorleggen, dat door de helden der wetenschap, o. a. door Aristoteles, Kant, Fichte, Hegel, enz. bewerkt geworden is, zonder nog alle werken van uw beroemde voor gangers grondig te kennen? Zult gij niet, in het beste geval, het reeds lang volbrachte herhalen?

Ik antwoord: Het zaad, dat de filosofie in het aardrijk der wetenschap heeft geplant, is lang reeds opgegroeid en heeft zijn vruchten gedragen. Wat de geschiedenis aan den dag brengt, ontwikkelt zich geschiedkundig, drijft, groeit en vergaat, om in vernieuwden vorm eeuwig voort te leven. De oorspronkelijke daad, het origineele werk is slechts vruchtbaar in kontakt met de verhoudingen en betrekkingen van den tijd, die het baarde; ten slotte echter wordt het tot een leege schaal, die haar kern aan de geschiedenis heeft afgegeven. Wat de wetenschap van het verleden positiefs produceerde, leeft niet meer in de letter van den schrijver, maar is meer dan geest, is vleesch en bloed geworden in de tegenwoordige wetenschap. Om b. v. de produkten der natuurkunde te kennen en daarbij iets nieuws te produ ceeren, is het geen vereischte, eerst de geschiedenis van deze

Sluiten