Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zinnelijke menigvuldigheden geestelijke eenheden schept, de vergankelijke dingen of eigenschappen der wereld door verbinding als een zelfstandig wezen „op zich zelf", als absoluut geheel begrijpt.

Wanneer de geest door eigenschappen onbevredigd, steeds naar de substantie vraagt, den schijn verwerpt en naar de waarheid, naar het wezen, naar het ding op zich zelf zoekt, wanneer zich dan ten laatste deze substantieele waarheid als som van gemeende onwaarheden, als totaliteit der verschijnselen vertoont, dan legt zich daardoor de geest als schepper der substantie aan den dag, die evenwel niet uit niets, maar substanties uit accidenties, waarheden uit schijnbaarheden voortbrengt.

Tegenover de idealistische voorstelling, dat achter de verschijning^ een wezen verstopt is, hetwelk verschijnt, geldt de kennis, dat dit_ verstopte wezen niet in de buitenwereld, tnaar in het hoofd van den mensch apart woont. Daar echter het hoofd zijn onderscheid tusschen schijn en wezen, tusschen het bijzondere en het algemeene slechts op grond van zinnelijke ervaring maakt, zoo is het anderzijds niet te ontkennen, dat de onderscheiding gegrond is, dat de gekende wezens, wanneer dan ook niet achter, dan toch door middel van de verschijning bestaan, objektief bestaan, dat ons denkvermogen een wezenlijk, reëel vermogen is.

Het geldt niet alleen voor fysieke, het geldt ook voor geestelijke, het geldt metafysiek voor alle dingen, dat zij dat, wat zij zijn, niet „od zich zelf", niet in wezen, maar slechts in kontakt met iets

anders, in de verschijning zijn. In dezen zin mogen wij zeggen: de

dineen zijn niet maar verschijnen, en verschijnen zoo oneindig menigvuldig, als andere verschijnselen menigvulcHg zijn, waarmee tij<r en ruimte ze in kontakt brengen. De zin evenwel: „de dingen zijn niet, maar verschijnen", heeft, om _geen misverstand toe te laten, "deiT aanvullings/.in noodig: „wat verschijnt, dat is," maar slechts in zoo ver, als het verschijnt. ,

"T/EhT warmte zelf kunnen wij niet waarnemen", zegt de fysika van professor Koppe, „wij leiden slechts uit hare werkingen af het voorhanden zijn van dezen agens in de natuur." Zoo oordeelt de natuuronderzoeker, die praktisch de kennis der zaak in een vliitiar induktief onderzoek harer werkingen zoekt, evenwel

zijn gebrek aan theorie in zake logika met het spekulatief geloof aan een verborgen ding „op zich zelf" behelpt. Wij, omgekeerd, leiden uit de niet-waarneembaarheid van de warmte zelf af het niet voorhanden zijn, het niet op zich zelf zijn van dezen agens in de natuur, wij begrijpen veeleer de werkingen der warmte als stoffelijk | materiaal, waaruit het menschelijke hoofd het begrip van „de warmte

Sluiten