Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allen geestelijke uitingen zijn, bezitten zij ook een gelijk, gemeenschappelijk, uniform wezen.

Hieruit blijkt dus, dat het verschil tusschen ware en verkeerde gedachten, tusschen kennen en miskennen, evenals in het algemeen ieder verschil, een slechts relatieve geldigheid heeft. Een gedachte is op zich zelf noch waar noch verkeerd, zij is een van tweeën slechts in betrekking tot een bepaald gegeven objekt. Gedachten, begrippen, theorieën, wezens, waarheden stemmen daarin overeen, dat zij bij een objekt behooren. Objekten in het algemeen hebben wij leeren kennen als kwanta van de menigvuldige zinnelijkheid, van „de wereld daar buiten". Is het kwantum van het zijn, het objekt, wat gekend, begrepen of verstaan moet worden, door het spraakgebruik van een begrip te voren bepaald of beperkt, dan bestaat de waarheid in de ontdekking van het algemeene van deze aldus gegeven zinnelijke kwantiteit.

De zinnelijke kwantiteiten, de dingen der wereld, bezitten alle behalve hun schijn ook een waarheid, of achter de verschijning een wezen. De wezens der dingen zijn even ontelbaar, als de zinnelijkheid volgens ruimte en tijd oneindig deelbaar is. Ieder klein deel van de verschijning heeft zijn eigen wezen, iedere bijzondere schijn zijn algemeene waarheid. De verschijning wordt geproduceerd in kon takt met onze zinnen, de wezens of waarheden in kontakt met ons denkvermogen. Daardoor ontstaat dan ook voor ons de vervelende noodzakelijkheid om hier, waar voor ons het wezen deidingen als thema ligt, van het kenvermogen te spreken, en omgekeerd, bij het kenvermogen wezen of waarheid van de dingen te behandelen.

Zooals wij in het begin reeds zeiden: in het kriterium der waarheid ligt het kriterium der rede opgesloten. Evenals de rede, bestaat de waarheid daarin, uit een gegeven kwantum der zinnelijkheid het algemeene, de abstrakte theorie te ontwikkelen. Dus niet de waarheid in het algemeen is het kriterium van een ware kennis, maar die kennis wordt waar genoemd, die de waarheid, d. w. z. het algemeene van een bepaald objekt produceert. De waarheid moet objektief zijn, d. w. z., zij moet de waarheid van haar bepaald objekt zijn. Kennis kan niet waar op zich zelf, kan slechts relatief, slechts met betrekking tot een bepaald voorwerp, slechts op grond van uiterlijke feiten waar zijn. Haar taak bestaat in de ontwikkeling van het algemeene uit het bijzondere. Het bijzondere is de maat van het algemeene, de maat der waarheid. Alles wat is, is waar, onverschillig hoe veel of weinig het is. Is eerst het zijn gegeven, dan volgt diens algemeene natuur als waar heid. Het onderscheid tusschen het meer of minder algemeene,

Sluiten