Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de scherpzinnigheid der grootste geesten er voor noodig was, om ons deze eigenlijke natuur van het licht te onthullen ... „W ij vinden, dat ieder van onze zintuigen slechts voor geheel bepaalde invloeden van buiten ontvankelijk is, en dat de beweging van ieder zintuig in onze ziel geheel andere voorstellingen te voorschijn roept. Zoo staan tusschen die ziellooze buitenwereld (aethertiillingen), die voor ons door de wetenschap ontsloten wordt, en de schoone (werkelijke, zinnelijke) wereld, waarin wij geestelijk zijn, de organen der zintuigen als bemidde.aren."

Tot hier toe Schleiden, die ons hiermee een voorbeeld geeft, hoe ook onze tijd altijd nog in verlegenheid is over het verstaan van twee werelden, hoe vergeefs men zoekt naar een bemiddeling tusschen de wereld van het denkvermogen, van het weten ot van de wetenschap, die hier door aethertrillingen gerepresenteerd wordt, en tusschen de wereld van onze vijf zintuigen, vertegenwoordigd door de helle, kleurige lichten van het oog of van de werkelijkheid. Wij bezitten hierin tegelijk een voorbeeld, hoe koeterwaalsch de overgebleven rest van een spekulatieve wereldbeschouwing in den mond van den modernen natuuronderzoeker klinkt. De verwarrende uitdrukking van dezen toestand onderscheidt een „lichamelijke wereld der wetenschap", waarin „wij geestelijk zijn." De tegenstelling tusschen geest en zintuig, tusschen theorie en praktijk, tusschen het bijzondere en algemeens, tusschen waarheid en dwaling, is tot bewustzijn gekomen — maar de oplossing ontbreekt. Men weet wat. maar niet waar men zoeken moet, vandaar de verwarring.

Overwinning op de spekulatie, op de onzinnelijke wetenschap, verlossing der zinnen, grondvesting der empirie, dat is de groote wetenschappelijke daad van onze eeuw. Deze daad tlu o retisch te erkennen, is, klaar te worden over de bron der dwaling. Wanneer de filosofie met den geest waarheid, met de zintuigen bedrog meende te vinden, dan hebben wij deze filosofische meening om te keeren, de waarheid met de zintuigen en de bron der dwaling in den geest te zoeken. Het geloof aan zekere boodschappen der zenuwen, die men alleen zou mogen vertrouwen, die. men slechts langzamerhand moet leeren kennen, zonder hun specifiek onderscheidingsteeken te kunnen ontdekken, is bijgeloof. Laten wij driest alle getuigenissen der zinnen vertrouwen. Daar is niets valsch van het echte af te zonderen. Alleen de onzinnelijke geest is de misleider, wanneer hij zich verstout om de zintuigen te kort te doen. wanneer hij, die slechts de zintuigen te interpreteeren heeft, hunne uitspraken grooter maakt, nazegt wat

Sluiten