Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiden. Het geldt dus om aan te toonen, dat zoowel in de natuurwetenschap, als in de logika, als in de moraal de algemeene of geestelijke kennis slechts op grond van bijzondere, d. w. z. zinnelijke feiten gepraktiseerd kan worden.

Deze praktijk van het verstand, om de gedachte uit de materie, de kennis uit de zinnelijkheid, het algemeene uit het bijzondere voort te brengen, wordt dan ook in het natuurwetenschappelijke onderzoek algemeen, evenwel slechts praktisch erkend. Men handelt induktief en is zich van dit handelen bewust, maar men w«kent, dat het wezen van de natuurwetenschap het wezen van het weten, van het verstand in het algemeen is. Men begrijpt het denkproces verkeerd. Het ontbreekt aan theorie en men raakt daardoor maar al te dikwijls uit de praktische maat. Het denkvermogen is voor de natuurwetenschap nog steeds een onbekend geheimzinnig mystiek wezen. Of zij verwisselt materialistisch de funktie met het orgaan, den geest met de hersenen, of zij gelooft het idealistisch, als een onzinnelijk object gelegen buiten haar gebied. Wij zien de moderne onderzoekers in natuurwetenschappelijke dingen meestal met vasten, eenparigen stap hun doel tegemoet gaan; aan de abstraktere verhoudingen van deze dingen evenwel blindelings „in het rond tasten." De methode der induktie heeft zich bij de natuurwetenschap praktisch ingeburgerd en door haar succes naam gemaakt. De spekulatieve methode anderzijds is door haar gebrek aan succes in diskrediet geraakt. Van een bewust begrip van deze verschillende denkwijzen is men ver verwijderd. Wij zien de mannen van het natuurwetenschappelijke onderzoek, buiten hun speciaal terrein, in algemeene vragen, spekulatieve produkten voor wetenschappelijke feiten op advokatenmanier geldig maken. Ofschoon men de speciale vakwaarheden slechts door middel der zinnelijke verschijning produceert, gelooft men spekulatieve waarheden toch uit de diepte van den eigen geest te kunnen scheppen.

Hooren wij Alexander von Humboldt, hoe hij zich in het begin van zijn „Kosmos" tot de spekulatie verklaart. „Het gewichtigste resultaat van het natuurwetenschappelijk rustig vorschen is daarom dit: in de menigvuldigheid de eenheid te kennen ; van het individueele alles te omvatten, wat de ontdekkingen der laatste eeuwen ons aanbieden, de enkele dingen onderzoekend af te zonderen en toch niet aan hunne massa te gronde te gaan : de verheven bestemming van den mensch gedachtig, den geest der natuur te grijpen, die onder den mantel der verschijnselen verborgen ligt. Op dezen weg reikt ons streven ver over de nauwe grenzen van de zinnelijke wereld, en het kan ons gelukken om, de

Sluiten