Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuur begrijpend, de ruwe stof der empirische beschouwing als door ideeën te beheerschen. In mijne beschouwingen over de wetenschappelijke behandeling van een algemeene wereld beschrijving is niet sprake van eenheid door afleiding uit weinige door de rede gegeven grondprincipes. Het is de denkende beschouwing van de door empirie gegeven verschijnselen als van een natuur-geheel. Ik waag mij niet op een veld, dat mij vreemd is. Wat ik natuurwetenschappelijke wereldbeschrijving noem. maakt daarom geen aanspraak op den rang van een ratiomelc wetenschap van de natuur." ... , „Getrouw aan het karakter van mijn vorige geschriften, evenals aan den aard van mijne bezigheden, die aan proeven, metingen, doorgronding van feiten gewijd waren, beperk ik mij ook in dit werk tot een empirische beschouwing. Zij is de eenige grond, waarop ik mij minder onzeker bewegen kan." In denzelfden adem zegt Humboldt, dat „zonder den ernstigen drang naar de kennis van het enkele, alle groote en algemeene wereldbeschouwing slechts een luchtkasteel zijn kan," en zegt weder, dat, in tegenstelling tot zijn empirische wetenschap, „een denkend (dit zou moeten heeten, spekulatief) kennen, een redelijk begrijpen van het heelal een nog verhevener doel zou aanbieden." „Ik ben er ver vandaan, 0111 pogingen, waarin ik mij zelf niet begeven heb, daarom te laken, omdat de goede uitslag tot nu toe zeer twijfelachtig gebleven is." (Deel 1, bl. 68.)

De natuurwetenschap deelt nu met Humboldt het bewustzijn, dat de praktijk van het verstand in de «a/K«rwetenschap alleen daarin bestaat, „in de menigvuldigheid de eenheid te kennen." Maar anderzijds, ofschoon zij ook haar geloof aan de spekulatie, aan het „redelijke kennen", niet altijd zoo duidelijk uitspreekt, bewijst zij toch door het gebruik van de spekulatieve methode bij de behandeling van zoogenaamde filosofische thema s — waar men de eenheid uit de rede, inplaats van uit de menigvuldige zinnelijkheid meent te kennen — zij bewijst daar door het absolute gebrek aan eenparigheid, daardoor, dat zij het onwetenschappelijke van de oneenige meeningen miskent, hoezeer zij de wetenschappelijke praktijk verkeerd begrijpt, hoe zij behalve aan de fysische, nog aan een metafysische wetenschap gelooft. De verhoudingen, tusschen verschijning en wezen, werking en oorzaak, stof en kracht, materie en geest, zijn toch zeker fysische verhoudingen. Maar wat eenparigs leert daarvan de wetenschap? Ergo, het weten of de wetenschap is een werk, hetwelk, evenals het bouwen van den boer, slechts nog praktisch, maar niet wetenschappelijk, niet met vooruitbepaling van den uitslag gedreven wordt. Het kennen, d. w. z. de uitvoering van het kennen, wordt in de natuurwetenschap

Sluiten