is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet denkvermogeti, dat zichzelf begrijpt, is het primair. De praktijkvan het kennen evenwel moet en kan door haar theorie niet veranderd worden, maar slechts het bewustzijn den vasten gang krijgen. De wetenschappelijke landbouwer onderscheidt zich van den praktischen niet daardoor, dat hij theorie, dat hij methode heeft — dat bezitten zij beide — maar daardoor, dat hij van zijn theorie weet, terwijl de andere instinktmatig theoretiseert.

Maar ter zake : uit de gegeven menigvuldigheid in het algemeen, brengt het verstand de waarheid in het algemeen voort, uit de tijdelijke menigvuldigheid, uit veranderingen de ware oorzaak. Evenals absolute menigvuldigheid de natuur van de ruimte, zoo is absolute veranderlijkheid de natuur van den tijd. Ieder deel van den tijd is als ieder deel van de ruimte, nieuw, origineel, er nog nooit geweest. Öm in deze absolute veranderlijkheid ons terecht te vinden, helpt het denkvermogen, doordat het, evenals de menigvuldigheid der ruimte door bekende dingen, de veranderingen des tijds door bekende oorzaken generaliseert. Het zinnelijke te generaliseeren, in het bijzondere het algemeene gewaar te worden, daaruit bestaat het geheele wezen van het verstand. Wie door middel van de kennis, dat het verstand orgaan van het algemeene is, het niet geheel en al. begrijpt, vergeet, dat tot het begrijpen een gegeven objekt behoort, hetwelk buiten het begrip blijft. Het zijn van dit vermogen is "evenmin te begrijpen, als het zijn in het algemeen. Of beter, het zijn wordt begrepen, wanneer wij het in zijn generaliteit nemen. Niet het bestaan, maar het algemeene van het bestaan wordt door het verstand waargenomen.

Laten wij ons met een voorbeeld het proces voor oogen stellen, dat het verstand uitvoert, wanneer het een onbegrepen zaak begrijpt. Onderstellen wij een zonderlinge, d. w. z. onverwachte, nog niet ervaren chemische verandering, die bij het een of andere mengsel plotseling en zonder verder toedoen gebeurt. Veronderstel verder, dat deze verandering daarna dikwijls gebeurt, totdat ons de onder vinding tot de kennis brengt, dat er aan de onverklaarbare wisseling van het mengsel ieder keer een aanraking van het zonnelicht voorafgaat. Daardoor wordt reeds het voorval begrepen. Veronderstel nog verder, dat verdere ervaring ons leert, hoe nog meerdere andere stoffen de eigenschap bezitten, om in aanraking met zonlicht de betreffende verandering aan te gaan, dan wordt daardoor het onbekende verschijnsel bij een grooter aantal van verschijnselen van dezelfde aard ondergebracht, d. w. z. verder, dieper, meer volkomen begrepen. Vinden wij nu ten slotte nog een gedeelte van het zonlicht of een bijzonder element van het mengsel, die met elkaar de veran-