Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werking is een wonder, een schepping uit niets. Het was en is daarom nog altijd een voorwerp van de spekulatie. De spekulatieve oorzaak schept haar werkingen. Feitelijk evenwel zijn de werkingen het materiaal, waaruit het hoofd, of de wetenschap oorzaken vormt. De oorzaak is een produkt van den geest, maar niet van den reinen, maar van den met de zinnelijkheid gehuwden geest.

Wanneer Kant beweert, dat de zin: iedere verandering heeft hare oorzaak, — een wetenschap a priori is, die wij niet ondervinden kunnen, omdat iemand onmogelijk alle veranderingen ondervinden kan en een ieder toch apodiktisch zeker is van de noodzakelijke en algetneene waarheid van den zin, zoo kunnen wij nu begrijpen, hoe met deze woorden slechts de ondervinding uitgesproken is, dat de verschijning van dat, wat wij verstand noemen, in iedere menigvuldigheid eenheid kent; of beter: dat de ontwikkeling van het algemeene uit het bijzondere, verstand, denken of geest genoemd wordt. De zekerheid, dat iedere verandering haar oorzaak heeft, is niets meer, dan de zekerheid, dat wij denkende menschen zijn. Cogito, ergo sum. Wij hebben het wezen van onze rede, daar, waar het ook niet wetenschappelijk geanalyseerd is, toch instinktmatig ondervonden. Wij zijn ons van hare bekwaamheid, om uit iedere gegeven verandering een oorzaak op te sporen, evenzoo zeker bewust, als wij er van bewust zijn, dat iedere cirkel rond, dat a =: a is. Wij weten, het algemeene is produkt van de rede, dat zij met het een of andere, d. w. z. met ieder gegeven objekt voortbrengt. Omdat nu alle objekten voor en na, tijdelijk of veranderingen zijn, zoo moeten ook alle veranderingen, die voor ons, die redelijke menschen zijn, te voorschijn komen, een algemeenen voorgang, d. w. z. een oorzaak hebben.

Reeds de Engelsche scepticus Hume had gevonden, dat de ware van de gewaande oorzaak wezenlijk verschillend is. Volgens hem bevat het begrip van de oorzaak niets verder dan de ondervinding daarvan, wat aan een verschijning gewoonlijk vooraf gaat. Met recht laat Kant daartegen gelden, dat het begrip van oorzaak en werking een veel intiemere verhouding uitdrukt dan die van losse toevallige opelkaarvolging, dat veeleer het begrip van de oorzaak de betreffende werking als noodzakelijkheid en strenge algemeenheid gesloten omvat; — dus iets, dat in het geheel niet ondervonden kan worden, wat zelfs boven iedere ervaring uitgaat, a priori in het verstand zou moeten besloten zijn.

Aan de materialisten, die alle autonomie van den geest loochenen, die door ervaring oorzaken meenen te vinden, is te antwoorden, dat de noodzakelijkheid en algemeenheid, die de verhouding van oorzaak en werking vooronderstelt, een onmogelijke ervaring

Sluiten