is toegevoegd aan je favorieten.

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is. Den idealisten is daarentegen anderzijds aan te toonen, dat, ofschoon ook het verstand oorzaken onderzoekt, die niet te ervaren zijn, dit onderzoek daarom niet a priori, maar slechts a posteriori, op grond van empirisch gegeven werkingen plaats hebben kan. \\ el ontdekt alleen de geest de onzinnelijke abstrakte algemeenheid; — maar slechts binnen een gegeven kring van zinnelijke verschijnselen.

b. Geest en Materie.

Het verstaan der algemeene afhankelijkheid van het kenvermogen van materieele zinnelijke vooronderstellingen zal aan de objektieve werkelijkheid het haar tot nu door ideeën en meeningen al te lang onthouden recht terug geven. Aan de natuur, die in haar menigvuldige konkrete verschijningen door filosofische en religieuse hersenschimmen uit de menschelijke waarneming verdrongen was, vervolgens sedert de ontplooing der moderne natuurwetenschap in het enkele uit haar wetenschappelijken hoek te voorschijn gehaald werd, wordt door de kennis van de hersenfunktie in algetneenen theoretischen vorm geldigheid verschaft. Tot nu toe heeft de natuurwetenschap zich slechts bijzondere materieën, bijzondere oorzaken, bijzondere krachten tot voorwerp gekozen en is in de algemeene, zoogenaamde natuurfilosofische vragen ten opzichte van de oorzaak, van de materie, van de kracht in het algemeen, onwetend gebleven. De feitelijke openbaring van deze onwetendheid is die groote tegenstrijdigheid tusschen idealisme en materialisme, die, aan een rooden draad gelijk, door de werken van de wetenschap gaat.

„Mocht het mij in dezen brief gelukken, de overtuiging te bevestigen, dat de chemie als zelfstandige wetenschap een van de machtigste middelen tot een hoogere geestesontwikkeling aanbiedt, dat haar studie nuttig is, niet slechts in zoover zij de materieele belangen der menschen bevordert, maar omdat zij ons een inzicht geeft in de wonderen der schepping, waarmee ons zijn, ons bestaan en onze ontwikkeling ten nauwste verbonden is.

Met deze woorden spreekt Liebig de heerschende zienswijze uit, die gewoon is materieele en geestelijke belangen als tegenstellingen te onderscheiden. De onhoudbaarheid van deze onderscheiding begint zelfs te schemeren bij den genoemden vertegenwoordiger dezer denkwijze, waar hij tegenover de materieele belangen een geestelijk inzicht zet, waaraan ons zijn, ons bestaan en onze ontwikkeling ten nauwste verbonden is. Wat echter zijn de materieele