Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der krachten van de stoffen geen „uiterlijke", maar een innerlijke, d. w. z. wezenlijke noodzakelijkheid is, die alleen ons in staat stelt, de verschijnselen van de natuur te verklaren en te begrijpen. Ofschoon de schrijver van „Kracht en Stof" zich als motto kiest „Now what I want is — facts —" zoo verzekeren wij toch, dat het devies meer een gedachteloos woord, dan een ernstige meening is. Zoo grof-korrelig is het materialisme niet, dat het hem alleen om feiten te doen is. Feiten geeft de natuur in een oneindigen overvloed. Die facts, die Büchner zoekt, leveren in het geheel geen specifiek teeken van zijn begeerte op. Zulke feiten wil ook de idealist. Naar hypothesen verlangt geen natuuronderzoeker. Wat alle beoefenaars der wetenschap gemeenschappelijk willen, zijn niet zoozeer feiten, als verklaringen of kennis van feiten. Dat het de wetenschap Büchner's „Natuurfilosofie" niet eens uitgezonderd — niet om lichamelijke stoffen, maar om geestelijke krachten te doen is, dat voor de wetenschap de stof slechts bijzaak is, om door haar krachten op te sporen, zal ook de materialist niet willen bestrijden.

De scheiding tusschen kracht en stof „is uit de systematische behoefte van onzen geest geboren." Zeer waar. Maar zooals in het algemeen de geheele wetenschap uit de systematische behoefte van onzen geest geboren wordt. De scheiding van kracht en stof is zoo oud als de tegenstelling tusschen idealisme en materialisme. De eerste bemiddeling volbracht de fantasie, door het geloof aan geesten, die zij aan alle natuurlijke verschijnselen als hun geheim oorzakelijk wezen onderschoof. Vele bijzondere geesten heeft nu de wetenschap in den nieuweren tijd daardoor uitgedreven, dat zij in de plaats van fantastische demonen wetenschappelijke, d. w. z. algemeene uitleggingen zette. Wanneer het ons gelukt is om den demon van den reinen geest te verklaren, dan zal het ons niet zwaar vallen om den bijzonderen geest van de kracht in het algemeen door de algemeene kennis van zijn wezen uit te drijven, en daarmee ook deze tegenstelling tusschen spiritualisme en materialisme wetenschappelijk te bemiddelen.

Bij het voorwerp van de wetenschap, bij het objekt van den geest zijn kracht en stof ongescheiden. In de wezenlijke zinnelijkheid is kracht stof, is stof kracht. „De kracht laat zich niet zien." En toch! Het zien zelf is pure kracht. Het zien is even zooveel werking van het voorwerp, als werking van het oog, een dubbele werking, en werkingen zijn krachten. Wij zien niet de dingen zelf, maar hunne werkingen op onze oogen : wij zien hunne krachten. En niet alleen laat zich zien de kracht, zij laat zich hooren, ruiken, proeven, voelen. Wie zal ontkennen, dat hij de kracht van de warmte, van de kou, van de zwaarte voelen kan? Wij haalden reeds de uitspraak

Sluiten