is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van professor Koppe aan: „de warmte zelf kunnen wij niet waarnemen, wij leiden slechts uit hare werkingen het voorhanden zijn af van deze agens in de natuur." Met andere woorden beteekent dat : wij zien, voelen, hooren niet de dingen, maar hunne werkingen of krachten.

Even waar als men zeggen kan, ik voel de stof en niet de kracht, kan men omgekeerd zeggen, ik voel de kracht en niet de stof. Inderdaad, aan het objekt, zooals gezegd, zijn beide niet te scheiden. Door middel van de denkkracht echter scheiden wij bij de naast- en na-elkïinder volgende verschijnselen het algemeene van het bijzondere. Uit de verschillende verschijningen van ons gezicht b. v. abstraheeren wij het algemeene begrip van het zien en onderscheiden het als 7.\enkracht van de bijzondere voorwerpen of stoffen van het gezicht. Uit de zinnelijke veelvoudigheid ontwikkelen wij door middel van het verstand het algemeene. Het algemeene van menigvuldige waterverschijnselen, dat is de van de stof van het water onderscheiden waterkracht. Wanneer stoffelijk verschillende hefboomen van gelijke lengte dezelfde kracht bezitten, is het wel in het oog vallend, dat hier de kracht slechts in zoover van de stof verschillend is, als zij het gemeenschappelijke van verschillende stoffen uitmaakt. Het paard trekt niet zonder kracht en de kracht trekt niet zonder paard. In der daad, in de praktijk is het paard de kracht, is de kracht het paard. Maar nochthans mogen wij de trekkracht van andere eigenschappen van het paard als iets aparts onderscheiden, of mogen wij het gemeenschappelijke van verschillende paardewerken als algemeene paardekracht afscheiden, zonder ons daardoor aan een andere hypothese schuldig te maken, dan wanneer wij de zon van de aarde onderscheiden ; ofschoon in der daad de zon niet zonder aarde, de aarde niet zonder zon bestaat. De zinnelijkheid is ons slechts door het bewustzijn gegeven, maar het bewustzijn veronderstelt nochthans de zinnelijkheid. De natuur, al naar wij haar van het standpunt van het bewustzijn, als onvoorwaardelijke eenheid of, van het standpunt van de zinnelijkheid, als onvoorwaardelijke menigvuldigheid laten gelden, is grenzeloos vereenigd en grenzeloos gescheiden. Waar zijn beide: eenheid cn veelheid, maar ieder slechts onder zekere vooronderstellingen, relatief. Het komt er op aan, of wij van het standpunt van het algemeene of van het bijzondere, of wij met geestelijke of met lichamelijke oogen rondkijken. Met geestelijke oogen gezien, is de stof kracht. Met lichamelijke oogen gezien, is de kracht stof. De abstrakte stof is kracht, de konkrete kracht is stof. Stoffen zijn voorwerpen van de hand, van de praktijk. Krachten zijn voorwerpen van de kennis, van de wetenschap.