is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verstandig, die voor den ander onverstandig is. Wanneer het verstand van een persoon tracht rein uit zichzelf het absoluut verstandige te bepalen, kan hij niet anders dan zijn persoon tot den maat der algemeene menschheid maken. Wanneer men der rede het vermogen toekent, in zich zelf de bron der moreele waarheid te bezitten, vervalt men in de spekulatieve dwaling, zonder zinnelijkheid, zonder objekt kennis te willen produceeren. Uit dezelfde dwaling komt de beschouwing voort, die de rede boven den mensch stelt als autoriteit, die verlangt, dat de mensch zich onderwerpe aan de eischen der rede. Zij maakt den mensch tot een attribuut der rede, terwijl inderdaad de rede omgekeerd attribuut van den mensch is.

De vraag, of de mensch van het verstand, of het verstand van den mensch afhangt, staat gelijk met de vraag, of de burger er voor den staat of de staat er voor den burger is. In de laatste hoogste instantie heeft de burger het primaatschap, wijzigt zich de staat naar behoefte van den burger. Zijn echter eenmaal de hoogste domineerende belangen tot statelijke autoriteit geraakt, dan zeker wordt daarna de burger van den staat afhankelijk. Met andere woorden beteekent dit: de mensch laat zich in bijzaken door de hoofdzaak beheerschen. Hij brengt aan het groote, geheele, algemeene het minder beteekenende, kleine, partikuliere ten offer; hij onderordent aan de wezenlijke noodzakelijke behoefte de weelderige lust. Het is niet het verstand in het algemeen, maar het verstand van een gebrekkig lichaam of van een beperkte beurs, dat de genoegens der uitspatting leert ontberen ten gunste van het algemeene heil. Zinnelijke behoeften zijn het materiaal, waaruit het verstand moreele waarheden maakt. Onder zinnelijk gegeven behoeften van verschillenden drang of van verschillenden omvang het wezenlijke, ware van het individueele te scheiden, ontwikkeling van het algemeene is de taak van het verstand. Het onderscheid tusschen het schijnbaar en waarachtig verstandige reduceert zich tot het onderscheid tusschen het bijzondere en het algemeene.

Wij herinneren ons, dat het verstand, om te bestaan, om te werken, om in het algemeen te kunnen kennen, zinnelijkheid vooronderstelt, een gegeven voorwerp noodig heeft, dat gekend wordt. Zijn is voorwaarde of vooronderstelling van de kennis in het algemeen. Evenals de taak der natuurkunde de kennis van het ware, is de taak der wijsheid de kennis van het verstandige zijn. In het algemeen moet het verstand kennen wat is, als natuurkunde wat waar, als wijsheid wat verstandig is. Evenals waar door algemeen, wordt verstandig door doelmatig vertaald, zoodat waarachtig verstandig zooveel als algemeen doelmatig heet. Wij zagen reeds, dat een verschijning der zinnelijkheid niet