Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en onrechtvaardige verzet is onmogelijk te bepalen. Deze onmogelijkheid stamt uit de natuur van het onderscheid tusschen recht en onrecht en wordt in alle deelen der ethiek teruggevonden. De goede daad is van de slechte niet zoo juist te onderscheiden, als de cirkel van het vierkant. Er is een grens, waar deugd en ondeugd in elkaar overgaan. Wie zou wel het onderscheid tusschen moed en vermetelheid, tusschen voorzichtigheid en lafheid, tusschen vrijgevigheid en verkwisting kunnen aangeven? Wie is in staat te bepalen, hoe ver de genade voor de misdaad uit te strekken is. waar zij ophoudt den naam van genade te verdienen en tot verderfelijke zwakheid wordt r

De onmogelijkheid van de juiste bepaling van deze grens wordt niet in den zin van Macaulay door de natuur van het onderscheid tusschen recht en onrecht veroorzaakt, maar door de bevangen beschouwing, die aan een onbegrensd recht, aan positieve deugden en ondeugden gelooft, die zich niet tot het inzicht verheven heeft, dat goed en braaf, recht en slecht altijd slechts een relatie van het subjekt, dat oordeelt, geldt, en niet het objekt op zich zelf. Moed is in de oogen van den voorzichtige vermetelheid en voorzichtigheid in de oogen van den moedige lafheid. De opstand tegen een bestaande regeering is altijd slechts voor de opstandelingen rechtvaardig, voor de aangevallenen altijd onrechtvaardig. Geen daad kan rechtvaardig in het algemeen, absoluut rechtvaardig of onrechtvaardig zijn.

Dezelfde hoedanigheden van den mensch zijn al naar behoefte en gebruik, al naar tijd en plaats, dan goed, dan slecht. Hier geldt uitvlucht, list en doortraptheid, daar trouw, rechtgeaardheid en openhartigheid. Hier voert barmhartigheid en zachtheid, daar meedoogenlooze, bloedige strengheid tot het doel en tot welvaart. De kwantiteit, het meer of minder heilzame eener menschelijke eigenschap bepaalt het onderscheid tusschen deugd en ondeugd.

Slechts in zoover het verstand het kwantitatieve rechtvaardige van een hoedanigheid, voorschrift of handeling kan meten, kan het recht en onrecht, deugd en ondeugd scheiden. Geen kategorische imperatief, geen ethisch moeten grondvest het werkelijke praktische recht, omgekeerd vindt de ethiek haar grond in het werkelijke zinnelijke recht zijn. Voor het verstand in het algemeen is vrijmoedigheid geen betere karaktereigenschap dan doortraptheid. Slechts in zoover als de vrijmoedigheid kwantitatief, d. w. z. vaker, meermalen, algemeener beter bekomt dan doortraptheid, is de eerste te verkiezen. Daaruit blijkt, dat een wetenschap van het goede slechts in zoover der praktijk tot richtsnoer kan dienen, als anderzijds de praktijk de wetenschap tot vooronderstelling gediend heeft. De wetenschap kan de praktijk niet verder leeren. dan zij eerst door de praktijk geleerd is geworden.

Sluiten