Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk is het de heer Roodhuyzen, die verklaart niet in te zien, waarom de Staat niet het recht zou hebben om den arbeid te verbieden aan die menschen, die onze kinderen in gezonden staat ter wereld moeten brengen. Het idee is niet kwaad, maar onvoldoende, en dus voor uitbreiding vatbaar. Indien den Staat de kinderteelt zoozeer ter harte gaat, waarom zou hij ze niet nemen in eigen hand? Het is nutteloos, lang te verwijlen bij't perspectief, dat deze nieuwe tak van Staatsdienst opent.

Te midden van al dit gekeuvel, viel 't woord van den heer Lohman als een bom, en richtte er dezelfde verwoesting aan. Nauwelijks van den schrik bekomen, scheen de heer Talma te begrijpen, dat er ook van anti-revolutionaire zijde partij moest gekozen worden, en hij deed 't, zijne stem voor de motie motiveerende, als volgt:

„Wij spreken hier over niets anders dan over de vraag, of de Staat als werkgever tegenover hen die in dienst van den Staat zijn, ook uit te gaan heeft van een bepaald zedelijk begrip omtrent de verbintenis die deze ambtenaren op zich nemen, ook bij het aangaan van een huwelijk."

Ongetwijfeld spreken wij over die vraag, maar wij doen 't als volwassenen, naar ik meen, niet als kinderen. De Staat als werkgever, sluit met zijne ambtenaren eene verbintenis, rakende den dienst, waarvan hij stipte waarneming eischen kan. Hoe zou de Staat komen aan het recht om zich te bemoeien met den persoonlijken staat

Sluiten