Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor ons stellig recht, als fundamenteel, hetzij erkend, hetzij voorgesteld worden.

Een woord daarover, ten slotte.

In de Praktijk onzer Grondwet van Mr. J. Heemskerk Az. kan men lezen (p. 26): „Het is opmerkelijk, dat bij de vrijheden in het 1° Hoofdstuk der Grondwet erkend, (waarbij aan het andere einde der Grondwet, de vrijheid van onderwijs komt) geene plaats is verleend aan de vrijheid van nering en bedrijf behoudens de beperkingen die het algemeen belang vordert.

Eene algemeene bepaling tot verzekering der vrijheid van bedrijf, en om aan den wetgever het weder oprichten van gilden of het verleenen van monopoliën te beletten blijft ontbreken. Zij zou wenschelijk zijn bij de van tijd tot tijd aanwakkerende socialistische neigingen."

Tegen clericale neigingen, acht ik haar nog wenschelijker. In allen gevalle, wilde de genoemde, toch waarlijk niet radicale, Staatsman het recht om te arbeiden tot constitutioneel recht verheven zien. D. w. z. hij achtte dit recht zoo onaantastbaar, dat hij het als een der grondrechten van den Staatsburger beschouwd wilde hebben. Ik vraag, met deze uitspraak voor oogen: welke denkbare houding heeft het, zoodanig recht om te arbeiden te ontnemen aan de huwende vrouw, op den enkelen schijngrond, dat het huwelijk gebeurlijkheden ten gevolge hebben kan, die voor den dienst bezwaren opleveren ? Nooit en op het gebied van gansch

Sluiten