Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het moot een grimmige Decemberdag geweest zijn, waarop deze motie werd voorgesteld; een waarvan de Genestet, in zijne Boutade zegt:

„Uw kliemerig klimaat maakt mij 't bloed in d'aadren

tot modder".

Zóó deed de motie. In het Verslag, is zij voor de vergetelheid bewaard:

,,l)e Raad, van oordeel, dat het op school werkzaam ,,blijven van onderwijzeressen, na haar huwelijk, in den ,,re<?el, niet in liet belang van het onderwijs zal zijn, ,,gaat over tot de orde van den dag.

Het kan niet onnoozeler ; alles is er op berekend, 0111 tegenwerpingen van angstvallige gemoederen te sussen. Meent ge, dat men prijs stellen kan op onderwijzeressen, na haar huwelijk? — dat zullen de uitzonderingen wezen. Meent ge, dat onderwijzeressen, na haar huwelijk, kunnen blijken ongeschikt te zijn? — zij zijn 't, die door den regel

worden getroffen.

Tot zelfs die toekomende tijd heeft iets zalvends, iets goedmoedigs, iets, dat dames: knus zouden noemen. Die toekomende tijd is geruststellend, door hare nevelachtigheid. Zij heeft iets van: 't-loopt-vooralsnog-zoo'n-vaart-niet over zich. Stond er: niet — is —, dat zou te forsch, te apodictisch, niet afgerond genoeg zijn. Zoo drukt een

Sluiten